De horrorfilm ‘Backrooms’ van debutant Kane Parsons is momenteel een opvallend succes in de bioscopen. Terwijl grote franchiseproducties zoals ‘Star Wars: The Mandalorian and Grogu’ tegenvallende resultaten boeken, trekt deze originele en surreële film volle zalen en weet het publiek diep te raken. Maar het zijn niet alleen de bioscoopinkomsten die indruk maken — het is ook wat er ná de film gebeurt.
Filmcriticus Kieran Fisher bezoekt al sinds 1998 bijna wekelijks de bioscoop. In al die jaren — bijna drie decennia — heeft nooit een onbekende hem na een vertoning aangesproken om de film te bespreken. Tot hij op een regenachtige maandagavond in het Schotse Coatbridge ‘Backrooms’ ging zien.
Na afloop van de film stapte een jongeman op hem af, ergens tussen de late tienerjaren en begin twintig. De jongere was zichtbaar enthousiast en wilde de film ontleden: wat betekende het einde? Wat wilde de regisseur zeggen? De twee vreemden wisselden theorieën uit en gingen diep in op de mogelijke betekenissen achter het verhaal. Een gesprek dat Fisher niet snel zal vergeten.
Dit soort spontane, inhoudelijke gesprekken na een bioscoopbezoek zijn zeldzaam, maar bij ‘Backrooms’ lijkt het vaker voor te komen. Collega’s van Fisher meldden vergelijkbare ervaringen: jongeren die na de aftiteling in groepjes blijven staan om de film grondig te bespreken. Dat is opmerkelijk en veelzeggend.
‘Backrooms’ is niet de enige film die dit effect heeft. Ook ‘Obsession’, een andere horrorfilm die momenteel in de aandacht staat, weet jongeren op dezelfde manier te boeien. Beide films zijn gemaakt door jonge regisseurs uit de zogeheten Generatie Z, die groot werden als YouTubers en hun verhalen afstemden op de zorgen en gevoelens van leeftijdsgenoten. Existentiële angst, vervreemding en het onbekende zijn terugkerende thema’s die duidelijk aanslaan bij een jong publiek.
De conclusie die Fisher trekt: Generatie Z is de drijvende kracht achter de opleving van originele horrorfilms. En wat nog belangrijker is — deze generatie kijkt niet passief. Ze denkt na, praat erover en beveelt films aan bij vrienden. Die mond-tot-mondreclame vertaalt zich vervolgens in bioscoopsucces én maatschappelijke discussie.
Voor Fisher is het korte gesprek met die onbekende jongeman meer dan een leuk anekdotje. Het stemt hem hoopvol over de toekomst van de filmindustrie. In een tijd waarin kunstmatige intelligentie en zielloze franchisefilms de bioscopen dreigen te domineren, bewijst ‘Backrooms’ dat origineel, door mensen gemaakt werk nog steeds mensen in beweging kan brengen — letterlijk en figuurlijk. Vreemdheid en creativiteit hebben nog altijd een plek in de mainstream. En dat is een geruststellende gedachte.






