Duizenden mensen zijn zaterdag de straat opgegaan in Boedapest voor de jaarlijkse Pride-mars, de eerste sinds het aftreden van premier Viktor Orbán na zestien jaar aan de macht. Onder zijn bewind werd het evenement stelselmatig aan banden gelegd, maar dit jaar heerst er een gevoel van verandering onder de deelnemers. Ondanks de snikhete temperaturen trokken de feestvierders in groten getale door de Hongaarse hoofdstad.
Veel Hongaren omschrijven deze editie als het begin van een nieuw hoofdstuk voor het land. Jarenlang werden LGBTQ+-rechten onder Orbán systematisch ingeperkt, en de Pride-mars was daar een zichtbaar symbool van. Nu hij het veld heeft geruimd, koesteren velen de hoop op een opener en toleranter beleid.
Toch is er ook onzekerheid. De nieuw verkozen premier Péter Magyar liet zich tijdens de verkiezingscampagne nauwelijks uit over LGBTQ+-rechten. Hij was zaterdag niet aanwezig bij de mars, wat bij sommige deelnemers vraagtekens oproept over zijn werkelijke standpunten. Wel deed hij onlangs een uitspraak die door velen als hoopgevend werd ontvangen: niemand mag gestigmatiseerd worden vanwege de manier waarop hij of zij liefheeft, aldus Magyar.
Die woorden bieden enige geruststelling, maar concrete beleidsplannen op het gebied van gelijke rechten voor de LGBTQ+-gemeenschap heeft de nieuwe premier nog niet gepresenteerd. Daarmee blijft onduidelijk in hoeverre zijn regering daadwerkelijk een koerswijziging zal inzetten ten opzichte van het tijdperk-Orbán.
Voor veel deelnemers aan de mars is de symbolische waarde van deze dag echter al groot. Na jaren van beperkingen en politieke tegenwind voelt de vrijheid om openlijk te marcheren als een overwinning op zich.





