Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft een belangrijke uitspraak gedaan over de manier waarop politie gebruik mag maken van locatiegegevens van techbedrijven bij het opsporen van verdachten. Met een meerderheid van zes tegen drie rechters oordeelde het hof dat de zogeheten ‘geofence-methode’ in strijd is met het Vierde Amendement van de Amerikaanse grondwet, dat burgers beschermt tegen onrechtmatige doorzoekingen.
Rechter Elena Kagan schreef het oordeel namens de meerderheid. Zij stelde dat deze opsporingstechniek de grondwettelijke rechten van burgers schendt.
Bij een geofence-bevel tekent de overheid een virtuele grens rondom de plek waar een misdrijf heeft plaatsgevonden. Vervolgens kan de politie een rechtbank vragen om een techbedrijf te verplichten zijn gebruikersdata te doorzoeken, om zo te achterhalen welke mensen zich op het betreffende moment binnen dat gebied bevonden.
De zaak die aanleiding gaf tot deze uitspraak, begon met een bankroof in de buurt van Richmond, in de staat Virginia. Een dader sloeg er met maar liefst 195.000 dollar aan contant geld vandoor. Na twee maanden zonder doorbraak besloten rechercheurs een bevel uit te vaardigen aan Google, met het verzoek de locatiegegevens te verstrekken van mobiele telefoongebruikers die zich in de omgeving van de bank bevonden in het uur voor en na de overval.
Google leverde aanvankelijk de gegevens van negentien personen aan, maar na intern overleg beperkte het bedrijf de lijst tot drie namen van wie de locatiedata daadwerkelijk wees op aanwezigheid bij de bank. Toen agenten het huis van één van hen doorzochten, troffen zij een pistool aan dat overeenkwam met een wapen op bewakingscamerabeelden van de overval, alsook bijna honderdduizend dollar in contanten. De verdachte, Okello Chatrie, bekende later de roof en werd veroordeeld.
Zijn advocaten voerden aan dat geofence-bevelen fundamenteel ongrondwettelijk zijn, omdat ze de overheid in staat stellen om eerst massaal te zoeken en daarna pas een verdenking te formuleren. In dit geval werden de locatiegeschiedenissen van miljoenen gebruikers doorzocht, terwijl de overgrote meerderheid van hen nooit enige betrokkenheid bij een misdrijf had.
De overheid verdedigde de methode met het argument dat mensen er zelf voor kiezen hun locatiegegevens te delen met bedrijven als Google, en dat die gegevens daardoor geen grondwettelijke bescherming zouden genieten. Het Hooggerechtshof verwierp dit standpunt.
De uitspraak heeft grote gevolgen voor de Amerikaanse opsporingspraktijk. Politiediensten in het hele land maken regelmatig gebruik van geofence-bevelen, met name bij ernstige misdrijven. Met dit vonnis wordt die praktijk aan banden gelegd en zullen rechtshandhavingsinstanties op zoek moeten naar alternatieve methoden die de privacy van burgers beter respecteren.