De advocaat-generaal bij de Hoge Raad adviseert dat een professionele beschermingsbewindvoerder alleen aanspraak maakt op een forfaitaire verhuisvergoeding als zijn taken het gebied van mentorschap betreffen en er geen mentor is. De klacht van bewindvoerder Veritas tegen de afwijzing van zijn verzoek slaagt volgens de AG niet.
De advocaat-generaal (AG) De Bock heeft gesteld dat een professionele beschermingsbewindvoerder alleen recht heeft op de forfaitaire verhuisvergoeding wanneer hij, bij het ontbreken van een mentor, werkzaamheden verricht die toebehoren aan het takenpakket van een mentor. Het advies volgt in het cassatieberoep dat Veritas heeft ingesteld nadat het hof zijn verzoek om de vergoeding afwees.
De zaak draait om de uitleg van artikel 3 lid 5, onder b, van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Deze regeling voorziet in een extra beloning voor bewindvoerders indien een rechthebbende verhuist en er geen mentor aan de zaak is verbonden. In deze procedure werd aan de Hoge Raad prejudiciële vragen voorgelegd, maar de AG adviseerde deze voorlopig niet te behandelen omdat de rechthebbende niet als belanghebbende in de procedure was betrokken.
Volgens de conclusie van de AG heeft een bewindvoerder géén recht op de forfaitaire vergoeding wanneer zijn werkzaamheden rond de verhuizing betrekking hebben op het beschermen van vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende. Alleen indien de bewindvoerder zich bezighoudt met niet-vermogensrechtelijke belangenbehartiging—taken die normaliter bij een mentor horen—en er geen mentor is aangesteld, bestaat zo’n aanspraak.
Veritas, de professionele bewindvoerder in deze zaak, stelde na afwijzing door het hof beroep in cassatie in. De advocaat-generaal concludeert nu dat de klachten van Veritas niet slagen, waarmee het eerdere oordeel van het hof gehandhaafd kan blijven.
De conclusie van de AG onderstreept het belang van een scherpe afbakening tussen de taken van de bewindvoerder en die van de mentor, vooral in situaties waarin een extra vergoeding wordt gevraagd. De uiteindelijke beslissing van de Hoge Raad is bepalend voor de toekomstige praktijk van beschermingsbewindvoerders bij verhuisvergoedingen.




