ORANJESTAD — Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben tijdens een Tripartite-overleg in het Babylon Hotel in Nederland gesproken over verdere samenwerking tussen de landen en over de voortgang van de geschillenregeling binnen het Koninkrijk. Dat meldt MEP-parlementariër Edgard Vrolijk in een communiqué.
Volgens Vrolijk is tijdens het overleg niet alleen gekeken naar versterking van de samenwerking tussen de drie Caribische landen, maar ook naar mogelijkheden om die samenwerking verder uit te breiden binnen de regio. Hij noemt dat noodzakelijk gezien de internationale ontwikkelingen.
Een belangrijk onderwerp op de agenda was de geschillenregeling. Daarover is volgens Vrolijk uitvoerig gesproken en de bespreking zal een vervolg krijgen. Ook is opnieuw een werkgroep ingesteld die de voortgang moet monitoren. Die commissie bestaat uit twee personen per land: Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
De werkgroep gaat aan de slag met de voorstellen die momenteel op tafel liggen en zal als adviesorgaan fungeren bij de verdere behandeling van de wet over de geschillenregeling. Volgens Vrolijk moeten de drie landen daarmee beter voorbereid zijn om gezamenlijk één lijn te trekken, zodat de regeling uiteindelijk behandeling in de Tweede Kamer kan doorstaan.
Vrolijk wijst erop dat de regeling momenteel bij de Raad van State ligt. Zodra het voorstel terugkomt, zullen de landen het advies beoordelen en bepalen of aanpassingen nodig zijn. Eventuele wijzigingen zullen volgens hem in gezamenlijkheid met de andere landen worden besproken.
De MEP-parlementariër benadrukt dat Aruba, Curaçao en Sint Maarten weliswaar samen het wetsvoorstel aandragen, maar dat de uiteindelijke beslissing bij Nederland ligt. In de Tweede Kamer moeten 150 Nederlandse parlementariërs over de wet stemmen. Juist daarom is het volgens hem van belang dat de landen binnen het Koninkrijk eensgezind optrekken. Vrolijk spreekt in dat verband van een traject dat al vijftien jaar loopt.
De discussie over de geschillenregeling begon in 2010, toen in de Tweede Kamer een amendement werd aangenomen waarin via artikel 12a van het Statuut werd vastgelegd dat er een geschillenregeling moest komen. Nederland nam daarna het initiatief voor verdere uitwerking, maar volgens Vrolijk voldeed de voorgestelde regeling lange tijd niet aan de eerder gemaakte afspraken. Een belangrijk punt van discussie was dat het om een onafhankelijk orgaan moest gaan en dat het oordeel bindend moest zijn.
Volgens Vrolijk zat juist daar de kern van het meningsverschil tussen de eilanden en Nederland. Nederland stelde zich op het standpunt dat de geschillenregeling niet bindend hoefde te zijn, terwijl de Caribische landen juist belang hechtten aan een bindend advies. Ook de Eerste Kamer oordeelde volgens hem eerder dat een eerder door Nederland ingediende wet niet voldeed aan de vastgestelde criteria.
Na aanpassing van het wetsconcept zou nu wel sprake zijn van een onafhankelijke regeling. De Raad van State beoordeelt het voorstel momenteel. Volgens Vrolijk moet het uiteindelijke advies bindend zijn, zowel voor de Caribische landen als voor Nederland.




