ORANJESTAD — Het parlement heeft maandag 1 september unaniem ingestemd met de wetswijziging die een minimumloon per uur invoert. Daarnaast is een motie aangenomen waarin de regering wordt opgedragen de regeling per 1 januari 2026 in werking te laten treden en ook een jeugdminimumloon voor jongeren van 15 tot en met 17 jaar uit te werken.
Dat meldt MEP-parlementariër Shailiny Tromp-Lee in een verklaring. Volgens haar is daarmee een traject afgerond dat zij in 2018 is begonnen. Zij spreekt van noodzakelijke wijzigingen om een volgens haar scheve situatie op de arbeidsmarkt recht te trekken.
Met de invoering van een minimumloon per uur moet er een einde komen aan het verschil waarbij werknemers die 42, 44 of 45 uur per week werken hetzelfde minimumloon ontvangen als iemand met een werkweek van 40 uur. Volgens Tromp-Lee zorgt de nieuwe regeling voor een eerlijkere en transparantere arbeidsmarkt en voor betere bescherming van werknemers op Aruba.
In de toelichting worden ook de financiële gevolgen genoemd voor werknemers die meer dan 40 uur per week werken. Werknemers met een werkweek van 42 uur zouden op jaarbasis 1.454,40 florin extra ontvangen. Bij 44 uur per week gaat het om 2.658,60 florin per jaar en bij 45 uur om 3.260,75 florin per jaar.
De wetswijziging bevat daarnaast aanpassingen voor huishoudelijk personeel, zowel inwonend als uitwonend. Verder moet de regering voor 1 januari 2026 een jeugdminimumloon invoeren voor werkende jongeren van 15 tot en met 17 jaar. Volgens Tromp-Lee is die regeling bedoeld om jongeren die naast school werken beter te beschermen en een eerlijke beloning te garanderen.
In de aangenomen motie wordt de regering ook opgedragen om alle noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen tijdig voor te bereiden. Daarbij hoort volgens de motie ook een informatiecampagne in het laatste kwartaal van dit jaar, zodat de invoering van de nieuwe regels per 1 januari 2026 ordelijk kan verlopen.
Tromp-Lee benadrukt dat de overheid daarbij ook oog moet hebben voor mogelijke gevolgen voor prijzen, administratie en de financiële positie van kleine en middelgrote ondernemingen. Volgens haar dragen de goedgekeurde wet en motie niet alleen bij aan betere bescherming van werknemers, maar ook aan een gezondere en productievere arbeidsmarkt.




