Na een onderzoek van ruim acht jaar veroordeelde de rechtbank Overijssel op 27 januari 2026 de Eritrese mensensmokkelaar Walid tot twintig jaar gevangenisstraf. Officier van justitie Petra Hoekstra van het Landelijk Parket zette de zaak door, ondanks aanhoudende twijfels over de Nederlandse rechtsmacht.
De rechtbank Overijssel veroordeelde op 27 januari 2026 een man die in de Eritrese gemeenschap bekendstaat als Walid tot twintig jaar gevangenisstraf wegens mensensmokkel en deelname aan een criminele organisatie. De zaak, die in Nederland als een van de grootste mensensmokkelzaken ooit geldt, draaide om jarenlange martelingen en afpersing van vluchtelingen in Libische detentiecentra. Slachtoffers werden gedwongen hun in Europa verblijvende familieleden te bellen terwijl zij werden geslagen, zodat die familieleden losgeld zouden overmaken.
Het onderzoek begon in 2017, toen officier van justitie Petra Hoekstra van het Landelijk Parket in Zwolle een lijst van meer dan honderd Libische telefoonnummers aantrof als restinformatie uit een eerder afgesloten migratieonderzoek. Niemand had er verdere aandacht aan besteed, maar Hoekstra besloot een aantal nummers onder de tap te laten plaatsen. Vrijwel direct was te horen hoe een in Nederland verblijvende Eritrese vrouw onderhandelde over de vrijlating van haar broer, die vastzat in een Libisch kamp.
Het winnen van het vertrouwen van de Eritrese gemeenschap bleek een van de grootste obstakels in het onderzoek. Mensen uit Eritrea waren van jongs af aan opgegroeid met wantrouwen jegens de overheid en hadden bovendien slechte ervaringen met eerdere meldingen bij de Nederlandse politie. Pas na de inzet van een cultureel bemiddelaar en het onaangekondigd bezoeken van potentiële getuigen thuis, begonnen de eerste verklaringen binnen te komen. Toen de naam Kidane H., een naaste medewerker van Walid, in Opsporing Verzocht werd uitgezonden, groeide het aantal meldingen snel.
De centrale juridische vraag in de zaak was of Nederland rechtsmacht had over een niet-Nederlander die zijn misdaden voornamelijk in Libië pleegde tegen mensen die evenmin de Nederlandse nationaliteit bezaten. Hoekstra en haar team beargumenteerden dat rechtsmacht bestond op grond van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht, omdat de smokkelaars vooraf contact hadden opgenomen met familieleden in Nederland en dus de opzet hadden om slachtoffers naar Nederland te vervoeren. De rechtbank volgde die redenering voor de mensensmokkel, maar verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor de martelingen en verkrachtingen die op Libisch grondgebied plaatsvonden, omdat de vereiste rechtsmacht daarvoor ontbrak. Voor de strafmaat maakte dat onderscheid geen verschil.
Walid en Kidane H. waren in 2019 in Ethiopië aangehouden nadat een agent hen op straat herkende. Kidane H. wist in februari 2021 tijdens een toiletbezoek uit een Ethiopische rechtbank te ontsnappen en werd bij verstek veroordeeld tot levenslang. Walid kreeg achttien jaar gevangenisstraf in Ethiopië, maar werd in oktober 2022 alsnog aan Nederland uitgeleverd. Vanuit zijn cel in Nederland probeerde hij via een tussenpersoon getuigen te bewegen hun verklaringen in te trekken, wat door de rechtbank als belastend werd beschouwd.
Tijdens de inhoudelijke behandeling in november 2025 en bij de uitspraak op 27 januari 2026 was de rechtbank in Zwolle tot de nok gevuld met Eritreeërs uit het hele land. De zitting werd via een livestream gevolgd in het Nederlands, het Engels en het Tigrinya. Na het vonnis bedankte een vertegenwoordiger van de Eritrese gemeenschap Hoekstra persoonlijk, met tranen in zijn ogen, namens de wereldwijde Eritrese diaspora.
Hoekstra benadrukt dat de zaak een ploegprestatie was van het Landelijk Parket, de Koninklijke Marechaussee, internationale partners en liaison-magistraat Hester van Bruggen in Rome. Tegelijkertijd diende zij in 2019 samen met het ministerie een wetsvoorstel in om de rechtsmacht bij mensensmokkelzaken uit te breiden tot het gehele EU-grondgebied. Dat voorstel ligt momenteel ter beoordeling bij de Tweede Kamer, na een eerder advies van de Raad van State. De uitkomst van de zaak Pearce heeft volgens Hoekstra een duidelijk signaal afgegeven: daders van ernstige mensenrechtenschendingen kunnen ook buiten hun eigen land worden berecht.







