Hommels zijn kleine insecten met een minuscuul brein, maar nieuw wetenschappelijk onderzoek toont aan dat ze in staat zijn tot opmerkelijk slim probleemoplossend gedrag. Daarmee plaatsen ze zichzelf in het gezelschap van chimpansees, olifanten en vogels — dieren die bekendstaan om hun cognitieve vermogens.
Het onderzoek, gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Science, werd geleid door gedragsecoloog Olli Loukola van de Universiteit van Turku in Finland. Zijn team ontwierp een experiment dat gebaseerd was op een klassieke proef uit de vroege twintigste eeuw. De Duitse psycholoog Wolfgang Köhler liet destijds zien dat chimpansees spontaan dozen op elkaar stapelden om een banaan te bereiken die buiten hun directe bereik hing. Geen training was daarvoor nodig — de apen losten het probleem zelfstandig op.
Sindsdien zijn vergelijkbare experimenten uitgevoerd met andere diersoorten, waaronder vogels en olifanten, die het probleem eveneens wisten op te lossen. Loukola vroeg zich af of hommels — vluchtige insecten met een hersenmassa van nauwelijks een paar milligram — iets soortgelijks zouden kunnen.
Voor het experiment werd een kleine bal van piepschuim in een afgesloten ruimte geplaatst, samen met ongeoefende hommels. Boven hen hing een beloning die ze niet rechtstreeks konden bereiken. De onderzoekers ontdekten dat de hommels de bal consequent naar een positie rolden waarop ze konden klimmen om vervolgens de beloning te pakken.
Loukola was verrast door het hoge slagingspercentage. Volgens hem bewijst dit dat zelfs een extreem klein brein in staat is tot het oplossen van complexe problemen. De hommels werden niet getraind of begeleid — ze kwamen zelfstandig tot de oplossing.
Dit past binnen een bredere reeks ontdekkingen die Loukola de afgelopen tien jaar heeft gedaan over het gedrag van hommels. Eerder onderzoek wees al uit dat hommels gereedschap kunnen leren gebruiken, van elkaar kunnen leren via sociale observatie en zelfs begrijpen welke rol een soortgenoot speelt bij het samenwerken aan een taak.
Loukola benadrukt dat onderzoekers die hommels bestuderen open moeten staan voor verrassingen. Wie geen vooraf bepaalde grenzen stelt aan wat deze insecten kunnen, ontdekt steeds weer nieuwe en onverwachte vermogens.
Het onderzoek werpt een nieuw licht op de relatie tussen hersengrootte en intelligentie. Lange tijd werd aangenomen dat complexe cognitie een groot brein vereist. De bevindingen rond hommels suggereren dat dit verband minder eenduidig is dan gedacht. Kleine hersenen kunnen, zo blijkt, grote problemen aan.