ORANJESTAD – De University of Aruba heeft samen met universiteiten op Curaçao en Sint Maarten een subsidie van 1 miljoen euro ontvangen van Open Science NL. Met die bijdrage willen de instellingen een Caribisch netwerk opzetten dat de kennis en vaardigheden op het gebied van digitale data in het Caribische deel van het Koninkrijk moet verbeteren.
Volgens de initiatiefnemers is dat nodig, omdat het delen en beheren van onderzoeksdata in de regio nog geen vanzelfsprekendheid is. Daarnaast vormt de geografische afstand tussen de eilanden een praktische uitdaging voor structurele samenwerking.
Esther Plomp van het Research Center van de University of Aruba treedt op als toekomstig coördinator van het netwerk. Zij diende de subsidieaanvraag in namens de samenwerking CHECK. In een toelichting stelt zij dat in Europa, en ook in Nederland, de afgelopen jaren sterker is ingezet op open science en transparant databeheer, terwijl in het Caribisch gebied nog meer terughoudendheid bestaat.
Die voorzichtigheid heeft volgens Plomp onder meer te maken met zorgen over misbruik van gegevens, het risico op fouten in datasets en de vrees dat onderzoekers minder erkenning krijgen wanneer data breder worden gedeeld. Het nieuwe netwerk moet daarom niet alleen praktische ondersteuning bieden, maar ook bijdragen aan meer vertrouwen tussen de betrokken partijen.
De initiatiefnemers wijzen erop dat de eilanden met vergelijkbare knelpunten te maken hebben, zoals beperkte capaciteit, een tekort aan gespecialiseerde expertise en versnipperde netwerken. Door kennis en ervaringen regionaal te bundelen, hopen de partners efficiënter oplossingen te ontwikkelen en dubbel werk te voorkomen.
Opvallend is dat het netwerk niet uitsluitend op universiteiten wordt gericht. Ook overheidsdiensten, ngo’s, bibliotheken en andere organisaties met relevante kennis en ervaring moeten een gelijkwaardige rol krijgen. In de eerste fase worden de betrokken partijen in kaart gebracht en worden gezamenlijke uitdagingen op het gebied van datacompetentie en vaardighedenontwikkeling vastgesteld.
Daarnaast komen er richtlijnen voor de opbouw en werkwijze van het netwerk, waaronder afspraken over werkgroepen, verwachtingen voor deelnemers en communicatie. De organisatie wil het netwerk zo open mogelijk laten functioneren.
De coördinatie komt vanuit Aruba, met lokale coördinatoren en administratieve ondersteuning op Curaçao en Sint Maarten. Het plan voorziet in tweejaarlijkse bijeenkomsten, terwijl werkgroepen vaker kunnen samenkomen. Trainingen, bijeenkomsten en uitwisseling van materiaal vormen een belangrijk onderdeel van het project.
Omdat de afstand tussen de eilanden kan oplopen tot ongeveer 800 kilometer, benadrukken de initiatiefnemers het belang van zowel online als fysieke ontmoetingen. Die contactmomenten moeten bijdragen aan de opbouw van een duurzaam netwerk van onderaf.
Een van de speerpunten is het opleiden van zogeheten lokale ‘changemakers’: deelnemers die binnen het netwerk leiderschapsrollen kunnen opnemen en de belangen van hun eiland of organisatie kunnen bewaken. Daarmee moet het netwerk op termijn minder afhankelijk worden van centrale aansturing en sterker lokaal verankerd raken.




