Oranjestad – De recente start van het Curaçaose programma Ami ta Prepará, dat zich expliciet richt op het voorbereiden van de bevolking op crisissituaties, zet de discussie over crisisvoorbereiding in Aruba verder op scherp. Waar Curaçao inzet op bewustwording, zelfredzaamheid en actieve betrokkenheid van burgers, ligt in Aruba de nadruk tot op heden vooral op de institutionele paraatheid van de Crisis Management Office (CMO).
Tijdens een besloten vergadering van het parlement met CMO gaf oppositiepolitica Evelyn Wever-Croes aan dat de crisisorganisatie inhoudelijk en operationeel goed voorbereid is. Volgens haar werkt CMO met verschillende uitgewerkte scenario’s en beschikt de organisatie over goed getraind personeel. Zij wees erop dat deze paraatheid mede het resultaat is van investeringen en trainingen uit het verleden, onder meer tijdens de COVID-19-crisis, toen CMO een centrale rol speelde in de nationale crisisaanpak.
Tegelijkertijd maakte Wever-Croes duidelijk dat CMO zelf heeft aangegeven verdere versterking nodig te achten. Volgens haar is er behoefte aan extra financiële middelen om de organisatie beter toe te rusten op mogelijke toekomstige crises. Die middelen zijn echter niet opgenomen in de begroting voor 2026, wat volgens haar vragen oproept over de prioritering van crisisvoorbereiding binnen het huidige regeringsbeleid.
Naast de financiële kant uitte Wever-Croes kritiek op het leiderschap en de communicatie vanuit de regering. Volgens haar zorgt een gebrek aan transparantie en duidelijke, consistente communicatie vanuit de top van het bestuur voor onrust onder de bevolking. In dat verband noemde zij ook de rol van minister-president Mike Eman, die als opperbevelhebber verantwoordelijk is voor de algemene aansturing in crisissituaties.
De vergelijking met Curaçao wordt in dit debat steeds nadrukkelijker gemaakt. Met Ami ta Prepará kiest Curaçao voor een benadering waarbij de bevolking actief wordt geïnformeerd en voorbereid op uiteenlopende noodscenario’s, variërend van natuurrampen tot maatschappelijke en technologische risico’s. Burgers krijgen daarbij concrete handvatten aangereikt, zoals het samenstellen van noodpakketten, het kennen van noodprocedures en het versterken van onderlinge hulp binnen wijken en gemeenschappen.
Op Aruba ontbreekt vooralsnog een vergelijkbaar breed opgezet programma dat zich expliciet richt op voorbereiding van de samenleving als geheel. Hierdoor rijst de vraag in hoeverre de huidige crisisaanpak voldoende rekening houdt met de rol van burgers en gemeenschappen naast de professionele inzet van instanties zoals CMO.
De discussie onderstreept dat crisisbestendigheid meer omvat dan alleen goed functionerende instituties. Naast operationele paraatheid spelen ook leiderschap, heldere communicatie en maatschappelijke betrokkenheid een cruciale rol. De vergelijking met Curaçao maakt duidelijk dat de vraag niet alleen is hoe goed Aruba institutioneel voorbereid is, maar ook hoe weerbaar de samenleving zelf is wanneer zich een crisis aandient.




