Na de aanslagen van 11 september 2001 op het World Trade Center in New York ontstond een volledig nieuw politiek vocabulaire in de Verenigde Staten — een taal doordrenkt van bureaucratie en precisie, die geweld verhulde en de menselijkheid van doelwitten uitwiste. Foltering werd ‘enhanced interrogation’, verdachten werden via ‘extraordinary rendition’ over grenzen heen overgebracht, gedetineerden in Guantánamo Bay kregen de aanduiding ‘enemy combatants’, en dodelijke aanvallen werden omschreven als ‘surgical’ of ’targeted strikes’. Centraal in dit nieuwe lexicon stond één zin die bijna alles omvatte wat volgde: de ‘war on terror’.
Belangrijke feiten
- De aanslagen van 11 september 2001 leidden tot een nieuw politiek vocabulaire in de VS dat geweld verhulde.
- Termen als ‘enhanced interrogation’, ‘extraordinary rendition’ en ‘enemy combatants’ kwamen in het politieke mainstream terecht.
- Negen dagen na de aanslagen sprak president George W. Bush een gezamenlijke zitting van het Congres toe en kondigde de ‘war on terror’ aan.
- Op 18 september 2001 ondertekende Bush de Authorization for Use of Military Force (AUMF), die hem brede bevoegdheden gaf om geweld te gebruiken.
- Onder de noemer ‘war on terror’ vielen onder meer de invasies van Afghanistan en Irak en de uitbreiding van binnenlandse surveillance.
- Leonie Jackson, universitair hoofddocent internationale betrekkingen aan de Northumbria University in het Verenigd Koninkrijk, stelt dat de erfenis van de ‘war on terror’ overal in de Amerikaanse politiek van vandaag zichtbaar is.
- Vijfentwintig jaar later is de term ‘war on terror’ minder frequent te horen vanuit het Witte Huis, maar de onderliggende logica blijft diep verankerd.
Een ‘oorlog’ zonder frontlinies
Negen dagen na de aanslagen op New York en Washington D.C. sprak toenmalig president George W. Bush een gezamenlijke zitting van het Congres toe. “Onze war on terror begint met al-Qaeda, maar eindigt daar niet… Ze eindigt pas als elke terroristische groep met wereldwijd bereik is gevonden, gestopt en verslagen”, verklaarde hij. Het Congres had al eerder de Authorization for Use of Military Force aangenomen, die Bush op 18 september 2001 ondertekende. Die wet gaf de president vergaande bevoegdheden om geweld te gebruiken.
Taal als instrument van beleid
Experts stellen dat dit nieuwe lexicon niet neutraal was, maar een bewuste functie vervulde: het maakte de erosie van mensenrechten aanvaardbaar. Door geweld te omschrijven in technische en bureaucratische termen werd de menselijkheid van de betrokkenen uitgewist. De term ‘war on terror’ was daarbij breed genoeg om vrijwel elk optreden te rechtvaardigen — van militaire invasies tot uitgebreide binnenlandse surveillanceprogramma’s.
De erfenis vandaag
Vijfentwintig jaar later klinkt de term ‘war on terror’ minder vaak vanuit het Witte Huis. Toch blijven de thema’s en ideeën die hij hielp verankeren diep geworteld in de Amerikaanse politiek. Leonie Jackson van de Northumbria University zei tegen Al Jazeera: “Ik denk dat we de erfenis van de war on terror overal in de Amerikaanse politiek van vandaag zien. Sterker nog, ik zou stellen dat we nog steeds diep in de logica van deze ‘oorlog’ zitten.”
Veelgestelde vragen
Wat betekende de ‘war on terror’ voor de taal van de politiek?
Na 9/11 introduceerde de Amerikaanse regering een nieuw vocabulaire — termen als ‘enhanced interrogation’, ‘extraordinary rendition’ en ‘enemy combatants’ — dat geweld verhulde en de erosie van mensenrechten in bureaucratische taal verpakte. Experts stellen dat dit lexicon bewust werd ingezet om vergaand beleid aanvaardbaar te maken.
Is de ‘war on terror’ nog steeds relevant?
Hoewel de term zelf minder vaak klinkt vanuit het Witte Huis, stellen onderzoekers zoals Leonie Jackson van de Northumbria University dat de onderliggende logica van de ‘war on terror’ de Amerikaanse politiek tot op de dag van vandaag diepgaand beïnvloedt.
