Iran en Oman hebben dinsdag bekendgemaakt dat zij gezamenlijk gaan onderzoeken welke kosten verbonden kunnen worden aan maritieme dienstverlening in de Straat van Hormuz. De twee landen stellen een gezamenlijke werkgroep in die zich buigt over de toekomstige beheerstructuur van de strategische zeestraat, ondanks felle weerstand vanuit de Verenigde Staten tegen elk vorm van betalingssysteem voor doorvaart.
In een gezamenlijke verklaring benadrukten Teheran en Muscat hun soevereine rechten over hun territoriale wateren. Toch benadrukte de Omaanse minister van Buitenlandse Zaken via sociale media dat beide landen zich inzetten voor een ’tolvrije en veilige doorvaart’. De werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van beide ministeries van Buitenlandse Zaken, moet overeenstemming bereiken over hoe de scheepvaart door de straat in de toekomst wordt geregeld en welke kosten daarmee samenhangen, conform internationale normen.
De aankondiging volgde op een reeks ontmoetingen in de Omaanse hoofdstad Muscat. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Abbas Araghchi en hoofdonderhandelaar Mohammad Bagher Ghalibaf spraken er met de Omaanse sultan Haitham bin Tariq en diens minister van Buitenlandse Zaken Badr Albusaidi.
Iran spreekt nadrukkelijk over ‘maritieme serviceheffingen’ in plaats van tolgelden, een onderscheid dat het land politiek belangrijk acht. Volgens Ghalibaf gaan deze heffingen in na een overgangsperiode van zestig dagen zonder kosten, zoals vastgelegd in een eerder ondertekend memorandum van overeenstemming met de Verenigde Staten. Dat memorandum bepaalt dat Iran en Oman, als oeverstaten van de straat, samen met andere Golfstaten overleg plegen over het beheer en de maritieme dienstverlening in de Hormuzstraat.
De Straat van Hormuz is van groot strategisch en economisch belang: normaal gesproken passeert ongeveer twintig procent van de wereldwijde olie- en vloeibaar-gasexport door deze smalle doorgang. De straat werd tijdelijk gesloten nadat Iran onder vuur kwam te liggen van de Verenigde Staten en Israël, maar is inmiddels weer opengesteld voor scheepvaart.
De kwestie rond mogelijke heffingen blijft gevoelig. Washington heeft zich herhaaldelijk uitgesproken tegen elk systeem waarbij schepen moeten betalen voor doorvaart door de internationale waterweg. De instelling van een gezamenlijke werkgroep lijkt vooralsnog een diplomatieke middenweg, waarbij beide landen de deur openhouden voor verdere onderhandelingen zonder directe confrontatie met de Amerikaanse bezwaren.
