Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft besloten geen beroep te behandelen in een zaak die grote gevolgen heeft voor de bescherming van kiezers met een beperking of laaggeletterden in zeven staten. Door de zaak niet in behandeling te nemen, blijft een uitspraak uit 2025 van een lager hof van kracht, waarmee een belangrijk instrument uit de Kieswet wordt uitgehold.
De betrokken uitspraak stelt dat in de zeven staten die vallen onder het rechtsgebied van het 8th U.S. Circuit Court of Appeals — Arkansas, Iowa, Minnesota, Missouri, Nebraska, North Dakota en South Dakota — gewone burgers en organisaties niet langer het recht hebben om rechtszaken aan te spannen op basis van Sectie 208 van de Voting Rights Act. Die sectie geeft kiezers die vanwege een beperking of moeite met lezen en schrijven hulp nodig hebben, het recht om iemand naar keuze mee te nemen naar het stemhokje.
Deze beslissing volgt op een reeks recente ontwikkelingen die de Kieswet verder hebben verzwakt. Eerder dit jaar velde het Hooggerechtshof, met zijn conservatieve meerderheid, al een ingrijpend oordeel dat de bescherming tegen raciale discriminatie bij de indeling van kiesdistricten aanzienlijk beperkte. Kort daarna weigerde het hof ook uitspraak te doen in twee andere zaken over het recht van burgers om te procederen — één aangespannen door Zwarte kiezers in Mississippi en één door Inheemse kiezers in North Dakota.
Decennialang werd de handhaving van de Kieswet voor een groot deel gedragen door rechtszaken van individuele burgers en belangenorganisaties. Dat veranderde nadat de conservatieve rechter Neil Gorsuch in 2021 in een korte opinie vraagtekens plaatste bij het recht van gewone burgers om dergelijke zaken aan te spannen. Sindsdien betogen Republikeinse overheidsfunctionarissen in meerdere staten dat uitsluitend de procureur-generaal van de Verenigde Staten bevoegd is om te procederen op grond van deze onderdelen van de wet.
Kritici waarschuwen dat deze interpretatie in de praktijk zal leiden tot een drastische afname van rechtszaken over kiesrechten. Het ministerie van Justitie beschikt immers over beperkte middelen en de prioriteiten van het departement wisselen per presidentiele administratie, waardoor handhaving verre van gegarandeerd is.
De opeenstapeling van uitspraken roept bij burgerrechtenorganisaties grote zorgen op over de toekomst van de Kieswet, die in 1965 werd aangenomen om discriminatie bij verkiezingen te bestrijden. Zij vrezen dat de wet steeds meer een lege huls wordt, nu de mogelijkheden om hem via de rechter af te dwingen stelselmatig worden ingeperkt.