ORANJESTAD — Het Gemeenschappelijk Hof heeft het hoger beroep van M.D.M. tegen een beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van 15 augustus 2025 afgewezen. Daarmee blijft overeind dat het Openbaar Ministerie (OM) niet verplicht is om de betrokkene op dit moment gedetailleerd te informeren over de aard en grondslag van de beschuldigingen, noch om op korte termijn een vervolgbeslissing te nemen.
Volgens het OM had M.D.M. het Hof gevraagd om het openbaar ministerie te bevelen hem nadere informatie te geven over de verdenkingen tegen hem. Ook wilde hij dat uiterlijk op 23 augustus 2025, of anders binnen een redelijke termijn, een beslissing in zijn strafzaak zou worden genomen. Die verzoeken waren eerder al door het Gerecht afgewezen.
Het hoger beroep werd op 9 december behandeld. Het Hof heeft nu geoordeeld dat het OM het strafrechtelijk onderzoek uitvoert conform de wet. Daarbij wees het Hof erop dat het openbaar ministerie belast is met opsporing en vervolging en dat de rechter in deze onderzoeksfase geen vergaande beslissingen kan nemen over de voortgang of inhoud van dat proces.
Volgens het Hof is het aan het OM om op basis van de resultaten van het onderzoek te bepalen welke vervolgstappen worden gezet. In beginsel speelt een verdachte daarin geen rol.
Het Hof noemt de zaak wel uitzonderlijk, omdat het gaat om een persoon die op het punt stond, en mogelijk nog steeds staat, om als minister te worden benoemd. In dat kader is M.D.M. volgens het OM al geïnformeerd over zijn status als verdachte en over de verdenking die tegen hem bestaat. Daarmee heeft het openbaar ministerie voldaan aan de verplichtingen die in deze specifieke situatie gelden, aldus het Hof.
Verder oordeelde het Hof dat het OM niet gehouden is om aanvullende informatie te verstrekken, zowel niet in deze zaak als niet in algemene zin. Ook benadrukte het Hof dat het openbaar ministerie binnen zijn wettelijke taak handelt door pas na afronding van het onderzoek een inhoudelijke beoordeling van de zaak te maken.
Bij de beoordeling woog het Hof mee dat voor het nemen van een vervolgbeslissing in het algemeen een redelijke termijn van twee jaar geldt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de structurele druk op de capaciteit van opsporingsinstanties, wat invloed kan hebben op de voortgang van onderzoeken.




