ORANJESTAD — De discussie over goed bestuur in Aruba en de Caribische regio moet verder gaan dan het invoeren van internationale codes, toezichtstructuren en formele regels. Volgens governance-specialist Ricardo Abdoel is de centrale vraag niet alleen of organisaties een governance-raamwerk hebben, maar of dat raamwerk daadwerkelijk past bij de schaal, geschiedenis en bestuurlijke werkelijkheid van kleine Caribische samenlevingen.
In een recente publicatie op LinkedIn stelt Abdoel dat de Cariben lang genoeg internationale governance-standaarden hebben geïmporteerd en dat het tijd is om serieuzer na te denken over eigen, contextgebonden bestuursmodellen. Zijn stelling is dat een governance-raamwerk dat niet is ontworpen voor de lokale context een organisatie niet volledig kan beschermen. Het zonder aanpassing overnemen van zulke modellen noemt hij geen echte due diligence, maar slechts de schijn daarvan.
Kloof tussen vorm en functie
Abdoel verwijst in zijn analyse naar het begrip isomorphic mimicry: het overnemen van de uiterlijke vorm van goed bestuur zonder dat de onderliggende werking daadwerkelijk verandert. In dat scenario bestaan er wel commissies, codes, jaarverslagen, procedures en toezichtorganen, maar blijft de bestuurlijke cultuur daaronder grotendeels onaangetast.
Volgens Abdoel is dat risico vooral aanwezig in kleinere economieën en Caribische samenlevingen die vaak werken met modellen die elders zijn ontworpen: OECD-principes, Commonwealth-codes, Nederlandse bestuursmodellen, Angelsaksische toezichtstructuren of internationale financiële standaarden. Die kaders kunnen technisch sterk zijn, maar functioneren niet automatisch wanneer zij worden geplaatst in een andere sociale en institutionele werkelijkheid.
De kern van zijn betoog is daarmee niet anti-internationaal. Abdoel pleit niet voor het afwijzen van internationale standaarden, maar voor het bewust eigen maken ervan. Wat nuttig is, moet volgens hem behouden blijven, maar dan wel aangepast aan de realiteit van Aruba, Curaçao, Bonaire, Sint Maarten, Suriname en Guyana.
Relevantie voor Aruba
Voor Aruba raakt deze analyse aan een actuele bestuurlijke discussie. De officiële corporate governance-website van Aruba vermeldt dat de nieuwe governance-wetgeving bedoeld is om de corporate governance binnen rechtspersonen in de publieke en semipublieke sector te versterken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de landsverordening, die vooral is gericht op de beleidsverantwoordelijke minister, en de Code corporate governance, die vooral betrekking heeft op de entiteiten zelf.
Dat onderscheid maakt duidelijk dat governance niet slechts een papieren verplichting is. Ministers, directies, raden van commissarissen en toezichthouders moeten elk hun eigen rol begrijpen en uitvoeren. Juist daar ontstaat in de praktijk vaak de moeilijkste opgave: niet het bestaan van regels, maar het consequent toepassen ervan.
Een nulmeting uit 2020 over corporate governance in Aruba wees al op een aanzienlijke ruimte tussen de perceptie van goed bestuur en de praktijk daarvan. In dat onderzoek werd vastgesteld dat good governance “mensenwerk” is en dat er op Aruba nog veel werk te verrichten valt om elementaire beginselen van corporate governance daadwerkelijk in praktijk te brengen.
Uit dezelfde nulmeting bleek dat bij gemiddeld 40 procent van de onderzochte entiteiten essentiële onderdelen van goed bestuur niet aanwezig waren of niet volledig werden benut. Bij toezichthoudende organen werd gemiddeld 47,2 procent van de onderdelen van de Code nog niet nageleefd; bij besturende organen ging het om 32,4 procent.
Niet alleen een juridisch vraagstuk
De waarde van Abdoels analyse ligt in de verschuiving van de vraag. Niet: heeft Aruba een governance-code? Maar: werkt die code binnen de feitelijke bestuurlijke cultuur van Aruba?
In kleine samenlevingen zijn bestuurlijke verhoudingen vaak persoonlijker, zichtbaarder en gevoeliger. Familiebanden, zakelijke relaties, politieke nabijheid en maatschappelijke afhankelijkheden kunnen de formele afstand tussen bestuur, toezicht en uitvoering verkleinen. Juist daarom vraagt governance in kleine rechtsgemeenschappen om meer dan internationale modellen. Het vereist duidelijke rolopvatting, bestuurlijke moed en institutionele discipline.
Daarmee sluit Abdoels publicatie aan bij een bredere zorg over publieke verantwoording. De Algemene Rekenkamer Aruba stelde onlangs in het rapport “Buiten beeld, buiten controle” dat bij begrotingsfondsen sprake is van tekortkomingen in transparantie, toezicht en verantwoording. Volgens de Rekenkamer schiet de naleving van het wettelijk kader in de praktijk structureel tekort en mag efficiëntie niet ten koste gaan van controle en verantwoording.
Hoewel dat rapport een ander onderwerp behandelt, raakt het dezelfde bestuurlijke kern. Regels en procedures bestaan om publieke middelen controleerbaar te houden. Wanneer zij niet consequent worden toegepast, ontstaat een kloof tussen formele governance en feitelijke bestuurlijke werking.
Lokale kennis als fundament
Abdoel stelt dat de Cariben meer kennis en bestuurlijke ervaring hebben dan vaak wordt erkend. Volgens hem bestaat de contextuele intelligentie al in de regio zelf: bij bestuurders, toezichthouders, ambtenaren, ondernemers en maatschappelijke leiders die dagelijks opereren binnen kleine, onderling verbonden samenlevingen. De vraag is of die kennis serieus genoeg wordt genomen als fundament voor eigen governance-standaarden.
Voor Aruba betekent dit dat goed bestuur niet alleen kan worden bereikt door het kopiëren van buitenlandse modellen. Internationale standaarden blijven belangrijk, maar zij moeten worden vertaald naar lokale bestuurspraktijk. Dat vraagt om duidelijke verantwoordingslijnen, onafhankelijke tegenspraak, transparante benoemingen, openbaar toegankelijke jaarstukken en toezicht dat niet alleen bestaat, maar ook daadwerkelijk ingrijpt wanneer dat nodig is.
Bestuurlijke opdracht
De publicatie van Abdoel is geen aanval op bestaande governance-inspanningen, maar een uitnodiging tot verdieping. Aruba heeft de afgelopen jaren stappen gezet richting modernisering van corporate governance. De vraag is nu of die modernisering beperkt blijft tot wetgeving en modellen, of daadwerkelijk leidt tot een cultuur waarin publieke en semipublieke instellingen beter functioneren.
Voor een kleine samenleving is dat geen theoretische discussie. Governance bepaalt hoe publieke middelen worden beheerd, hoe benoemingen plaatsvinden, hoe toezicht wordt uitgeoefend en hoe burgers erop kunnen vertrouwen dat instellingen handelen in het algemeen belang.
De kernvraag blijft daarom scherp: gebruikt Aruba governance-modellen omdat ze internationaal geloofwaardig zijn, of ontwikkelt het ook een bestuurspraktijk die werkelijk past bij de eigen schaal, geschiedenis en maatschappelijke verhoudingen? Volgens Abdoel ligt juist in die vraag de volgende grote opdracht voor Caribisch leiderschap.
