Quentin Tarantino en de inmiddels overleden filmcriticus Roger Ebert leken op het eerste gezicht geen reden te hebben voor een conflict. Ebert was namelijk een groot bewonderaar van Tarantino’s werk en beoordeelde de meeste van zijn films uiterst positief. Films als Pulp Fiction, Jackie Brown, de Kill Bill-films, Inglourious Basterds en Django Unchained kregen allemaal de hoogste waardering van de criticus. Ebert prees Tarantino’s unieke vermogen om grindhouse-cinema en jaren zeventig-esthetiek te verheffen tot hoge kunst, en zijn scherpe dialoogschrijfkunst werd door niemand geëvenaard.
Toch waren er ook films van Tarantino die Ebert minder wist te waarderen. Zijn debuutfilm Reservoir Dogs en de latere Death Proof kregen allebei slechts twee en een halve ster. Over Reservoir Dogs schreef Ebert dat het script te weinig nieuwsgierigheid toonde naar de personages. Death Proof vond hij een nostalgische oefening voor een publiek dat er eigenlijk niet meer was, wat bevestigd werd door de tegenvallende bioscoopresultaten.
De echte bron van wrijving lag echter elders: Ebert had stevige kritiek op Tarantino als acteur. De regisseur verscheen regelmatig in films, maar speelde volgens Ebert altijd min of meer zichzelf, zoals hij ook in interviews overkomt. In zijn recensie van de film Destiny Turns on the Radio uit 1995, waarin Tarantino een bijrol speelde als een soort bovennatuurlijk wezen, was Ebert bijzonder hard. Hij schreef dat de grote teleurstelling was dat Tarantino juist níét zichzelf speelde. In plaats van zijn bekende enthousiaste en energieke optreden koos de regisseur voor een gemompeld zuidwestelijk accent en leek hij zijn uitstraling volledig op pauze te zetten. Ebert concludeerde kortweg dat Tarantino geen acteur was, maar een regisseur, en een goede ook. Ook de acteerrol van Tarantino in de film Somebody to Love uit 1996 kon op weinig genade van Ebert rekenen.
Tarantino liet deze kritiek niet zomaar over zich heen gaan. In een interview met Playboy Magazine in 2003 gaf hij aan dat hij het als bemoeizuchtig ervoer dat Ebert hem adviseerde zich te beperken tot het regisseren. Tarantino wees erop dat er genoeg voorbeelden zijn van regisseurs die ook uitstekende acteurs zijn, en vice versa. Hij zag geen reden waarom hij zichzelf die vrijheid zou moeten ontzeggen.
De verhouding tussen de twee bleef desondanks overwegend respectvol. Ebert bleef Tarantino’s regisseurstalent erkennen en prees zijn films consequent als hij ze de moeite waard vond. De vete draaide uiteindelijk niet om grote persoonlijke animositeit, maar om een meningsverschil over waar Tarantino’s kwaliteiten lagen. Ebert zag hem als een uitzonderlijk filmmaker die zijn tijd beter niet kon verspillen aan acteren, terwijl Tarantino vond dat hij zelf mocht bepalen hoe breed hij zijn artistieke ambities uitrolde.
