Rechters stellen de Hoge Raad sinds tien jaar prejudiciële vragen over belastingkwesties van breed maatschappelijk belang. In die periode gebeurde dat 31 keer. Betrokkenen zijn eensgezind: de werkwijze komt de proceseconomie enorm ten goede.
Sinds een decennium hebben rechters de mogelijkheid om de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen over fiscale kwesties die een bredere maatschappelijke betekenis hebben. In tien jaar tijd is van die mogelijkheid 31 keer gebruikgemaakt, een aantal dat de groeiende behoefte aan rechtseenheid in belastingzaken weerspiegelt.
Het instrument stelt lagere rechters in staat om in lopende procedures een rechtsvraag voor te leggen aan de hoogste rechter in Nederland, zonder dat partijen eerst alle tussenliggende instanties hoeven te doorlopen. De Hoge Raad beantwoordt de vraag, waarna de verwijzende rechter de zaak verder afhandelt met dat antwoord als leidraad.
Mariken van Hilten van de Hoge Raad, Maarten Pieterse van het gerechtshof 's-Hertogenbosch en Shanna van den Maagdenberg van EY zijn alle drie positief over de balans na tien jaar. Volgens hen levert de procedure een concrete bijdrage aan de doelmatigheid van de rechtspraak. "Het komt de proceseconomie enorm ten goede", aldus de betrokkenen.
De meerwaarde zit vooral in de mogelijkheid om snel duidelijkheid te scheppen over rechtsvragen die in veel vergelijkbare zaken spelen. Zonder prejudiciële procedure zouden die zaken elk afzonderlijk door de rechterlijke hiërarchie moeten worden geloodst, wat tijd en middelen kost voor zowel de rechterlijke macht als de rechtzoekenden.
Dat het instrument in fiscale zaken zijn weg heeft gevonden, is niet verwonderlijk. Belastingrecht kent veel kwesties waarbij de uitkomst voor grote groepen belastingplichtigen tegelijk relevant is, wat de behoefte aan een eenduidig en gezaghebbend antwoord van de Hoge Raad vergroot.
