Geschreven door: mr. Shulaika Beatrix Delsol (1970)
De recente uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden (ECLI:NL:HR:2025:518) legt een fundamentele spanning bloot binnen het Koninkrijk: toegang tot de rechter bestaat formeel, maar wordt in de praktijk begrensd door een gelaagd systeem van regels.
Wat opvalt, is dat deze beperking zich niet op één niveau voordoet, maar zich opstapelt:
1. cassatiebeperkingen ondanks de Rijkswet;
2. beperkingen in de vrije keuze van rechtsbijstand;
3. en, vaak onderbelicht, beperkingen via procesreglementen.
Cassatie versus Rijkswet: een recht zonder uitvoering?
De Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en voor Bonaire, Sint-Eustatius en Saba bepaalt in artikel 8 dat zaken bij de Hoge Raad óók kunnen worden bepleit door advocaten die zijn ingeschreven bij het Gemeenschappelijk Hof. Dat is een expliciete wettelijke bevoegdheid. Toch bevestigt de Hoge Raad dat deze advocaten in de praktijk geen toegang hebben tot de cassatiebalie, onder verwijzing naar verschillen in kwaliteit en toezicht. Daarmee ontstaat een fundamentele spanning: een recht dat op het niveau van de Rijkswet bestaat, maar in de praktijk niet uitvoerbaar is.
Vrije keuze van rechtsbijstand: wet versus beperking
Deze spanning zien we ook terug in het Curaçaose procesrecht. Artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Curaçao bepaalt dat een partij kan procederen:
• in persoon;
• via een gemachtigde;
• via een raadsman.
Zonder beperking van de plaats waar die persoon, gemachtigde of raadsman moet zijn gevestigd. Daartegenover staat artikel 52 van de Advocatenlandsverordening, dat de praktijk van rechtsbijstand feitelijk lijkt te beperken. Het resultaat is dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ruimte biedt, maar de beroepsregeling die ruimte beperkt.
De stille derde laag: het procesreglement van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
Daar blijft het niet bij. Het Procesreglement 2023 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie introduceert aanvullende beperkingen die de toegang verder structureren en in bepaalde gevallen beperken. Zo bepaalt het reglement:
• dat alleen bij het Hof ingeschreven advocaten en toegelaten gemachtigden beroepsmatig mogen optreden;
• dat buitenlandse advocaten slechts in samenwerking met lokale advocaten kunnen optreden;
• en dat proceshandelingen buiten deze kaders kunnen worden geweigerd.
Hoewel het reglement erkent dat er geen verplichte procesvertegenwoordiging bestaat, creëert het tegelijkertijd een systeem waarin effectieve vertegenwoordiging in de praktijk wordt gefilterd.
De cumulatieve werking: van recht naar beperking
Wanneer deze drie lagen samenkomen, ontstaat een patroon:
1. Rijkswet: verleent toegang tot de Hoge Raad;
2. nationale wetgeving: beperkt toegang via toelatingsvereisten;
3. procesreglement: operationaliseert en versterkt die beperking.
Strijd met hogere rechtsnormen
Deze cumulatie raakt direct aan fundamentele rechten. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt in artikel 6 het recht op effectieve toegang tot de rechter en het recht op vrije keuze van rechtsbijstand.
Daarnaast geldt:
• de Rijkswet is van hogere orde dan de nationale wet;
• en artikel 94 van de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden verplicht om regels die in strijd zijn met verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties buiten toepassing te laten.
De vraag is dan onvermijdelijk: kan een procesreglement, als lagere norm, feitelijk de toegang beperken die door hogere normen wordt gegarandeerd?
De kern: toegang bestaat, maar wordt gefilterd
Wat deze ontwikkelingen blootleggen, is geen incident, maar een structuur: toegang tot de rechter wordt erkend, maar via verschillende lagen beperkt; rechten worden toegekend, maar niet volledig uitvoerbaar gemaakt; vrije keuze wordt toegestaan, maar praktisch ingeperkt.
Conclusie: een systeem dat herzien moet worden
De combinatie van cassatiebeperkingen, beperkingen in de vrije keuze van rechtsbijstand en aanvullende drempels in procesreglementen roept fundamentele vragen op over de werkelijke toegankelijkheid van de rechter binnen het Koninkrijk. Als rechten op papier bestaan, maar in de praktijk niet of slechts beperkt kunnen worden uitgeoefend, dan vraagt dat om herbezinning op de verhouding tussen Rijkswet, nationale regelgeving en lagere procesregels.
