ORANJESTAD — In de strafzaak New York is de dagvaarding voor de behandeling in hoger beroep betekend aan verdachte N.M.Q.C.d.A. Van de vijf personen die in deze zaak zijn veroordeeld, heeft alleen deze verdachte het hoger beroep voortgezet.
Volgens het Openbaar Ministerie hebben vier andere veroordeelden berust in hun veroordeling. Het OM heeft daarom in die vier zaken het hoger beroep ingetrokken. Daarmee zijn de uitspraken van het Gerecht in Eerste Aanleg onherroepelijk geworden en kunnen deze worden uitgevoerd.
Het OM stelt dat hiermee zuinig wordt omgegaan met de beperkte zittingscapaciteit van het Hof. Doordat vier zaken niet meer in hoger beroep hoeven te worden behandeld, ontstaat ruimte voor andere strafzaken, zoals ernstige gewelds- en zedenzaken, die daardoor eerder aan bod kunnen komen.
In zaken die daarvoor in aanmerking komen, benadert het OM verdachten vooraf schriftelijk met de vraag of zij hun hoger beroep willen doorzetten. In de zaak New York bleek alleen C.d.A. niet in de veroordeling te berusten.
De zaak wordt op 9 februari 2026 voor regie behandeld bij het Hof. Tijdens zo’n regiezitting wordt beoordeeld of aanvullend onderzoek nodig is. De inhoudelijke behandeling wordt in de eerste helft van 2026 verwacht.
De strafzaak New York draait om ambtelijke corruptie en schending van het ambtsgeheim door een politieagent en meerdere journalisten in de periode van januari 2021 tot en met maart 2023.
Het Gerecht in Eerste Aanleg veroordeelde de betrokken politieagent in december 2023 tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, wegens verduistering, schending van het ambtsgeheim, misbruik van functie en omkoping. Ook kreeg hij een verbod om drie jaar lang het ambt uit te oefenen.
De overige verdachten werden in december 2024 veroordeeld wegens corruptie en medeplegen van schending van het ambtsgeheim. Aan hen werden gevangenisstraffen en taakstraffen opgelegd. C.d.A. kreeg een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
Volgens het OM heeft de zaak geleid tot discussie over persvrijheid, omdat vier van de vijf verdachten journalisten waren. Daardoor ontstond volgens het OM de indruk dat de strafzaak draaide om een aantasting van de persvrijheid en het recht op nieuwsgaring.
Het OM benadrukt echter dat de zaak volgens de rechter in eerste aanleg ging over het onrechtmatig verschaffen van toegang tot politieportofoonverkeer. De politieagent had uit hoofde van zijn functie toegang tot portofoons en intern politieverkeer en wist dat deze communicatie uitsluitend voor de politie bestemd was. Toch zou hij verdachten en medeveroordeelden toegang hebben gegeven, waarna zij ruim twee jaar lang het politieportofoonverkeer hebben beluisterd.
De rechter in eerste aanleg oordeelde dat dit gebeurde uit eigen belang, financieel voordeel of sensatiezucht. Daarmee zouden niet alleen de privacy van Arubaanse burgers zijn geschonden, maar ook het vertrouwen in het politiekorps en in een zorgvuldige omgang met privacygevoelige gegevens.
Bij de strafoplegging van C.d.A. hield de rechter er rekening mee dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld tot de maximale taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Volgens de rechter zijn de feiten in de zaak New York gepleegd tijdens de proeftijd van die eerdere veroordeling.
In hoger beroep zal het Hof beoordelen of de bewezenverklaring in stand kan blijven. Ook komt aan de orde of sprake is geweest van deelname aan een criminele organisatie en welke straf passend is.
Het OM onderstreept dat de vrijheid van nieuwsgaring een fundamenteel recht is, maar geen vrijbrief kan zijn voor het plegen van strafbare feiten. Volgens het OM heeft de rechter in eerste aanleg nadrukkelijk onderzocht of in deze zaak sprake was van een uitzonderingssituatie, maar geoordeeld dat daarvan geen sprake was.
