Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft uitspraak gedaan in het hoger beroep dat M.D.M. had ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van 15 augustus 2025. Het hoger beroep werd op 9 september behandeld en is gisteren afgewezen.
In de eerdere beschikking had het Gerecht de verzoeken van M.D.M. afgewezen om het Openbaar Ministerie te bevelen hem gedetailleerd te informeren over de aard en grondslag van de beschuldigingen tegen hem. Ook het verzoek om uiterlijk op 23 augustus 2025, dan wel binnen een redelijke termijn, een vervolgbeslissing in zijn zaak te nemen, werd toen afgewezen.
Volgens het Hof voert het Openbaar Ministerie het lopende strafrechtelijk onderzoek uit conform de wet. Het OM is belast met opsporing en vervolging. Daarom kan een rechter in deze fase van het onderzoek geen vergaande beslissingen nemen over de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Het Hof overweegt dat het Openbaar Ministerie op basis van de resultaten van het onderzoek beslist welke vervolgstappen nodig zijn. Daarbij is het volgens het Hof niet gebruikelijk dat een verdachte een rol speelt in dat proces.
In deze zaak is volgens het Hof sprake van een uitzonderlijke situatie, omdat het gaat om een persoon die op het punt stond, en mogelijk nog steeds staat, om tot minister te worden benoemd. Om die reden is betrokkene geïnformeerd over zijn status als verdachte en over de verdenking die tegen hem bestaat.
Het Hof heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie daarmee heeft voldaan aan de verplichtingen die in deze specifieke situatie gelden. Verdere informatieverstrekking is volgens het Hof niet vereist, noch in deze zaak, noch in algemene zin.
Verder benadrukt het Hof dat het OM binnen zijn wettelijke taak handelt door pas na afronding van het onderzoek een beslissing over de zaak te nemen. Daarbij geldt volgens het Hof in het algemeen een redelijke termijn van twee jaar. Ook wijst het Hof op de structurele capaciteitsdruk bij de opsporingsinstanties, die invloed heeft op de voortgang van onderzoeken.
